* JANTJE HARWIG TEXTIELARBEIDSTER

Meertens, Details Volksverhaal.
opmerkingen: J.H.W.Eldermans heeft dit verhaal gehoord van de, toentertijd, 79-jarige Jantje Harwig. Harwig was textielarbeidster van beroep. Zie onder 'Beeld' voor een afbeelding van de pagina uit het manuscript.

idnummer ELDER085 tekst Bij no. AF-07-36/A, Aant. 1946, fol. 93d-g:
 „De ollen dee der nog zoo leuk van wussen, sint alle vort” - maar niet Jantje Harwig, 79 j. voormalig textielarbeidster.

Haar mededelingen worden vermeld in Aant. 1946, fol. 93 d-g.

In het kort: Kabouters komen in ons land in bepaalde streken voor. Zij trekken van het zuiden naar het noord-oosten, langs twee of drie kabouterwegen, die op bepaalde plaatsen samenkomen. Het zich verplaatsen van de kabouters gaat traag: soms blijven zij geruime tijd op een zelfde plaats, waar ook altijd een zelfde aantal van de aardmannen, die daar bepaalde taken hebben, aanwezig is. Nimmer een groot aantal: zo vaak als je een haas kunt tegenkomen, kan je een kabouter ontmoeten. De mensen zien de kabouters niet, slechts een enkeling heeft van God de gave gekregen ze te kunnen waarnemen; mannen nooit. Zo men deze gave bezit, wordt het waarnemen bevorderd door het dragen van het bovenstaand pentakel, getekend op perkament en om het middel op de huid gedragen in een gordel, vervaardigd uit zacht hertenleer. Wanneer Jantje Harwig er op uit trekt om kabouters te onmoeten, geeft zij zichzelf een extra wasbeurt, wrijft zij zich in met een aftreksel van wijnruit (Ruta graveolens) in zuiver regenwater en trekt zij schoon goed aan: de kabouters verafschuwen mensenlucht. Men behoeft met kabouters niet te spreken: wat je dénkt begrijpen zij en wat zij je willen vertellen, komt vanzelf in je eigen gedachten op.... Een woordelijk verslag van deze mededelingen in de documentatie §7/1946 [Jan ter Horst.]  

Terug